Financiële uitvoerbaarheid in het bestemmingsplan; staatssteun en aanbestedingsrecht
Bij uitspraak d.d. 13 april 2011 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State een oordeel geveld over de relatie tussen staatssteun en de financiële uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen. Een appellant had als grond voor beroep opgeworpen dat de tussen de gemeente en projectontwikkelaar gesloten samenwerkingsovereenkomst in strijd was met de Europese regelgeving op het gebied van verplichte aanbesteding en staatssteun.
De Afdeling heeft de beroepsgrond van de hand gewezen maar wel een duidelijke norm geformuleerd voor de beoordeling van dit soort beroepsgronden.
Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan dient onder meer door het College onderzoek te worden gedaan naar de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Onvoldoende onderzoek kan leiden tot vernietiging van een bestemmingsplan, indien en voor zover het College op voorhand in redelijkheid had moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd binnen een periode van in beginsel 10 jaar. Dit geldt, gelet op het van het Europese recht deel uitmakende gelijkwaardigheidsbeginsel, ook in geval dat wordt aangevoerd dat vanwege strijdigheid van de samenwerkingsovereenkomst met het recht van de Europese Unie er sprake is van een beletsel voor de uitvoerbaarheid van het plan (HvJ EG 16 december 1976, C-33/76, Rewe).
De Afdeling kon in onderhavige casus niet vaststellen of de verkoop van de gemeentelijke gronden al dan niet onder marktconforme voorwaarden tot stand was gekomen. Er lag geen taxatierapport en de gronden waren evenmin middels een openbare biedprocedure verkocht. In principe kon derhalve sprake zijn van staatssteun, in welk geval de transactie bij de Europese Commissie zou moeten worden aangemeld. Dit zou kunnen leiden tot terugvordering van de staatssteun.
Aan het criterium dat er sprake moet zijn van een financieel uitvoerbaar plan is niet voldaan, indien aannemelijk wordt gemaakt dat staatssteun plaats heeft of heeft gehad, die kan worden teruggevorderd, en dientengevolge uitvoering van het plan (binnen de planperiode) niet mogelijk is. Denkbaar is dat de zelfde redenering opgaat indien een appellant kan aantonen, dat een samenwerkingsovereenkomst in strijd is met het aanbestedingsrecht en dat vanwege dit gebrek (los van de zes maanden termijn in de Wira) de uitvoering van het plan binnen de planperiode niet mogelijk is c.q. twijfelachtig is.
Door deze nadere invulling van het criterium “financiële uitvoerbaarheid” in relatie tot het Europese recht is het raadzaam om in de financiële paragraaf van het bestemmingsplan te anticiperen op dit soort beroepsgronden en gemotiveerd aan te geven, dat het plan binnen de planperiode kan worden uitgevoerd ongeacht eventuele hieraan ten grondslag liggende samenwerkingen en/of overeenkomsten.
Voor de volledige uitspraak verwijzen wij u naar : LJNnr: BQ1077.